Groest
de woensdag weekmarkt
De wekelijkse "woensdagmarkt", die vanaf het jaar 1880 op de Groest werd gehouden, stelde aanvankelijk nog niet zoveel voor. Het gedeelte tussen de "Stationsstraat" en de "Spoorstraat" bood voldoende ruimte. In het begin waren het vooral Amsterdamse kooplieden die er ijzerwaren, stoffen en allerlei andere handelswaar verkochten. Later kwamen er ook marktkooplieden uit Den Haag, Rotterdam en zelfs uit Groningen, Brabant en Limburg. Geleidelijk groeide de markt uit tot ongeveer "driehonderd kramen". Voor marktmeester "Kuyper" werden het daardoor bijzonder drukke dagen.
Op de markt liepen regelmatig "Huizer taatjes en nennetjes" rond. Hun karakteristieke kleding trok veel aandacht. Ook kwamen er huisvrouwen die snel even naar de markt gingen om voor enkele dagen groente in te slaan. Omdat de lonen van hun mannen laag waren, moesten zij zuinig omgaan met hun geld. Er werd daarom goed gezocht naar een goedkoop stofje of een voordelig lapje. Ook bij de handelaar in tweedehands goederen kon men voor weinig geld iets bruikbaars vinden. Bovendien kon er worden afgedongen, want volgens de schrijver werd er geregeld een te hoge prijs gevraagd. Ook de "Huizer botboeren" zouden daar goed in zijn geweest.
De meeste aandacht ging echter uit naar de "standwerkers".
De ene koopman riep:
"Ansichtkaarten, een cent!"
Een ander had een partij merksigaren uit een failliete zaak weten te bemachtigen en riep de bezoekers toe om vooral te komen kijken. Weer een ander beweerde openlijk dat zijn koopwaar van diefstal afkomstig was en riep:
"Profiteert daarvan mensen, want dat komt nooit meer weerom!"
Kwakzalver "De Hollander" beweerde voor allerlei kwalen en gebreken een geschikt middel te hebben. Volgens overlevering behoorden zelfs echtgenotes van ministers tot zijn vaste klanten.
Even verderop stond weer een koopman met een grote groep mensen om zich heen. Hij maakte voortdurend grappen over de binnen- en buitenlandse politiek en ging daar zo in op dat hij het verkopen bijna vergat. Een andere standwerker presenteerde zichzelf min of meer als een weldoener. Verkopen vond hij maar bijzaak; volgens hem was hij vooral naar de markt gekomen om reclame te maken.
De bekendste van alle standwerkers was echter "Kokadorus". Volgens de archieven zijn er later op de Hilversumse markt meer standwerkers van dat soort geweest. Het was een levendige en gezellige markt. Door het steeds drukker wordende verkeer moest zij uiteindelijk naar het Langgewenst worden verplaatst. Dat gebeurde in 1931.